Nederland kent wel zomerscholen voor kinderen in de bovenbouw van de basisschool, maar die zijn vooral gericht op het wegwerken van achterstanden in taal en rekenen. Waar blijven de zomerscholen voor jonge wetenschappers?
In de zeventiende eeuw was er een jongen van twaalf die in zijn eentje de meetkunde van Euclides begon te herontdekken. Zijn naam: Blaise Pascal. Zonder boeken, alleen gewapend met zijn nieuwsgierigheid, probeerde hij lijnen, cirkels en hoeken te doorgronden. Toen zijn vader dit ontdekte, besloot hij hem alsnog toegang te geven tot de klassieke werken van Euclides. Nog geen vier jaar later publiceerde Pascal een wiskundig essay over kegelsneden dat zelfs door Descartes werd bewonderd. Zijn verhaal illustreert hoe belangrijk het is om jonge talenten de juiste omgeving en middelen te bieden.
Een vergelijkbaar verhaal vinden we drie eeuwen later bij Norbert Wiener (1894–1964), later bekend als grondlegger van de cybernetica. Wiener las op zijn derde al klassieke literatuur en op zijn negende begon hij wiskunde op universitair niveau te begrijpen. Op zijn elfde trad hij toe tot de universiteit, en op zijn achttiende promoveerde hij al in de filosofie van de wiskunde. Zijn intellectuele loopbaan werd mede mogelijk gemaakt doordat hij in een stimulerende academische omgeving terechtkwam. Waar Pascal zijn talent nog in isolement moest ontplooien, kreeg Wiener de kans om vroegtijdig onderdeel te worden van een kennisgemeenschap.
Deze verhalen laten zien dat jonge wetenschappers van alle tijden zijn. Hun nieuwsgierigheid is geen curiositeit, maar een motor die de wetenschap vooruitbrengt, mits zij de juiste omgeving vinden. Die les is vandaag nog steeds actueel. Mijn tienjarige petekind Merlijn nam deze zomer deel aan de Junior Summer School van de Universiteit Leiden (sorry, dit is even een anachronisme met de genoemde publicatiedatum van deze blog). Daar maakte hij kennis met vakgebieden als biologie, scheikunde, archeologie en rechten. Het programma werd verzorgd door echte wetenschappers, die de kinderen niet onderschatten maar juist serieus namen. Eén deelnemer zei dat ze in vijf dagen meer had geleerd dan in een heel schooljaar. Merlijn was het roerend met haar eens.
En toch eindigt het traject daar: een vervolg voor kinderen van zijn leeftijd bestaat niet, zeker niet in de Randstad. Daarmee missen we een kans om kinderen die honger hebben naar kennis en uitdaging ook op deze manier te ondersteunen. Een serie van losse bijeenkomsten op een vaste dag in de week door het schooljaar heen (zoals Erasmus Junior College of Junior Science Labs van WUR) is niet altijd handig vanwege de reistijd en -afstand van dit naschoolse curriculum. Vakantieperiodes zijn daarentegen vaak ideaal – óók of juist voor de ouders die niet zelden gewoon moeten werken. Veel zomerscholen zijn echter vooral gericht op het wegwerken van achterstanden in taal en rekenen. Universitaire zomerscholen zijn op de vingers van één hand te tellen, nou ja, op de vingers van één vinger: Leiden dus. Want Universiteit Utrecht bijvoorbeeld heeft in 2023 de Summerschool Junior verruild voor Zoek het uit! On Tour. Misschien heb ik na uren zoeken toch nog enkele andere initiatieven gemist, maar die zijn dan zo slecht vindbaar dat dat ook niet echt opschiet.
Voor jonge kinderen met een passie voor wetenschap blijft het aanbod dus fragmentarisch. Dat is opmerkelijk, want historisch kenden we wel degelijk extracurriculaire tradities. In de 19e eeuw waren er volkshogescholen en zomercursussen voor scholieren. In de jaren zestig ontstonden kinderuniversiteiten met zaterdagcolleges door hoogleraren (maar het gecoördineerde programma van de KinderJeugdUniversiteit is inmiddels ook al ter ziele, hoewel we ons andere petekind Pim in het verleden in dit kader een aantal weekenddagen naar het Allard Pierson Museum hebben gereden). Zulke initiatieven lieten zien dat kennisoverdracht meer is dan een schoolse verplichting: het is een culturele opdracht om talent te koesteren. Willen we echt een kennissamenleving zijn, bied dan op universiteiten naast de losse dagen ook zomerscholen die jaarlijks terugkeren. Waar kinderen kennismaken met verschillende disciplines en rolmodellen ontmoeten.
PhD-studenten kunnen daarin bij uitstek een rol vervullen. Want vertellen over je onderzoek is een belangrijk gedachtenordenende exercitie. Zeker als je de essentie aan kinderen van pakweg tien tot twaalf jaar moet uitleggen. Het verhaal van Blaise Pascal toont dat wetenschappelijk talent zich al op tienjarige leeftijd kan openbaren. Norbert Wiener laat zien dat zulke kinderen, mits goed begeleid, kunnen uitgroeien tot vernieuwers die hele disciplines veranderen. Vandaag zien we bij Merlijn en zijn leeftijdsgenoten diezelfde gretigheid. Laten we hen ervaren dat wetenschap niet alleen een studie is, maar ook een cultuur die begint in de kindertijd. En die met de juiste begeleiding tot grootse ontdekkingen kan leiden.
O ja, suggesties voor een universitaire zomerschool 2026 voor Merlijn en al die andere kinderen zijn bijzonder welkom.
01-07-2025