Expertisecentrum Buitenpromoveren

Victor Frankenstein - door Kerstin


Twee eeuwen geleden schreef Mary Shelley Frankenstein een roman over schepping, kennis en schuld. Ze had niet kunnen weten hoe actueel haar verhaal zou blijven. Want ook nu staan we oog in oog met onze eigen schepping; niet van vlees en bloed, maar van kennis en technologie. En opnieuw groeit het wantrouwen: niet omdat wetenschap tekortschiet, maar omdat ze te veel kan.

Mary Shelley schreef Frankenstein in 1818, toen wetenschap nog iets heldhaftigs had. Een man die leven kon maken uit dode materie, was een visionair, geen bedreiging. Victor Frankenstein symboliseert de menselijke drang om te begrijpen en te beheersen, maar ook de angst die dat begrip oproept zodra het te ver gaat. Zijn monster is niet de vrucht van slechtheid, maar van onbegrip: de schepper weet niet wat hij heeft gemaakt, en de samenleving wil niet geloven dat het kan. Shelley’s roman is dus niet alleen een verhaal over overmoed, maar ook over ongeloof. En juist dat ongeloof lijkt onze tijd te typeren.

De wetenschap van nu heeft een bijna bovennatuurlijke status bereikt. Wetenschappers voorspellen het klimaat over honderd jaar, zien virussen onder een microscoop die we met het blote oog niet kunnen waarnemen, en ontwikkelen binnen twee jaar een vaccin dat een pandemie tempert. Terwijl een medicijn tegen HIV al veertig jaar op zich laat wachten. Dat schept bewondering, maar ook argwaan. Hoe kan het dat de wetenschap plotseling zó veel kan? Is dat toeval (en dus nog niet voldoende getest), machtsspel (ze spuiten meteen een chip in), of gewoon niet waar (want covid is niet meer dan een griepje)?

Daar komt nog iets bij. Steeds vaker zeggen wetenschappers zelf: “We weten nog niet precies hoe het werkt, maar het werkt.” Dat is tegelijk eerlijk én verontrustend. Denk aan klinische studies die aantonen dat middelen als psilocybine of ketamine binnen dagen een antidepressief effect hebben. Onderzoekers geven toe nog niet precies te weten welk hersenmechanisme daarvoor verantwoordelijk is. Of aan kunstmatige intelligentie dat verbluffende resultaten levert, maar de eigen makers weten vaak niet waarom een algoritme precies doet wat het doet. Zelfs in de kwantumfysica, het fundament van onze technologie, kunnen onderzoekers alleen de uitkomst voorspellen, niet het mechanisme dat ertoe leidt. De werkelijkheid werkt, maar onttrekt zich aan begrip.

Voor het publiek is dat een merkwaardige boodschap: “Vertrouw ons, ook al begrijpen we het zelf niet helemaal.” En dat vertrouwen is broos, zeker in een tijd waarin ook regeringen en instituties hun geloofwaardigheid verliezen. Wetenschap is zo verweven geraakt met politiek, beleid en economie dat elk succes onmiddellijk verdacht wordt. Een snelle vaccinontwikkeling? Vast de farmaceutische lobby. Een klimaatmodel dat rampen voorspelt? Vast een politiek middel om gedrag te sturen. De wetenschap als instituut is slachtoffer geworden van haar eigen kracht: ze kan zó veel dat het ongeloofwaardig lijkt.

Shelley’s Frankenstein laat dat mechanisme al zien. Victor werkt in stilte, omringd door flitsend licht en geheimzinnige apparaten. Wanneer hij zijn schepping toont, schrikt iedereen terug. Niet omdat het mislukt is, maar omdat het te goed gelukt is. Zijn kennis tart de verbeelding. Het publiek reageert zoals mensen vandaag reageren op AI, vaccins of klimaatwetenschap: met ontzag, maar ook met ontkenning. Zó ver kan het toch niet zijn? Zó slim kan een machine toch niet worden? Zó snel kan een vaccin toch niet werken?

De kern van het probleem is niet de afstand tussen wetenschap en samenleving, maar de ongelijkheid in geloofwaardigheid. Wetenschap vraagt van ons dat we vertrouwen op abstracties (modellen, formules, voorspellingen) die we niet zelf kunnen ervaren. En dat vertrouwen wankelt zodra kennis groter wordt dan ons begrip. Waar Victor Frankenstein de grenzen van de natuur doorbrak, lijkt de moderne wetenschap de grenzen van het vertrouwen te overschrijden.

Shelley’s waarschuwing klinkt daarom opnieuw luid: kennis zonder wijsheid vervreemdt, maar wijsheid zonder vertrouwen verdwijnt. De uitdaging van nu is niet om minder te weten, maar om te leren leven met kennis die we niet volledig kunnen doorgronden, en er tóch verantwoordelijkheid voor nemen. Het monster van vandaag is geen wezen uit een laboratorium, maar een samenleving die haar eigen wetenschap niet meer gelooft. Misschien is dat de prijs van verlichting: dat we niet meer geloven in wat we zelf verlicht hebben.

01-11-2025