Over kevers en zo - door Floor

De Franse taalfilosoof Roland Barthes noemde hoe teksten naar elkaar verwijzen ‘intertekstualiteit’. Ik noem hoe verhalen naar elkaar verwijzen en elkaar voortzetten ‘internarrativiteit’. Hoe Murakami (3) de draad oppakt van Barnes (2), die op zijn beurt een twist geeft aan Kafka (1), is daar een voorbeeld van; wetenschap een ander.

1. Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, bleek hij in zijn bed in een reusachtig monster te zijn veranderd.
2. Ken je dat verhaal over die man die wakker wordt en merkt dat hij veranderd is in een kever? Ik was een kever die wakker werd en zag dat hij mogelijk een mens was.
3. Toen hij zijn ogen opendeed, ontdekte hij dat hij op bed was veranderd in Gregor Samsa.
Drie auteurs, één verhaal.

De Franse taalfilosoof Roland Barthes noemde hoe teksten naar elkaar verwijzen ‘intertekstualiteit’. Ik noem hoe verhalen naar elkaar verwijzen en elkaar voortzetten ‘internarrativiteit’. Hoe Murakami (3) de draad oppakt van Barnes (2), die op zijn beurt een twist geeft aan Kafka (1), is daar een voorbeeld van; wetenschap een ander.

Wetenschappers zijn ontzettende kletskousen. Zodra ze iets te pakken hebben waarvan ze denken dat het interessant is, praten ze erover. Hun favoriete communicatievorm is die van de geschreven publicaties, maar ook spreken op congressen is voor hen van niet te onderschatten waarde. Wetenschappers werken samen aan een verhaal over hun vak. De Amerikaanse wetenschapssocioloog Robert Merton noemde dat communism, niet communisme als ideologie natuurlijk, maar gemeenschappelijkheid als inherent kenmerk: “The substantive findings of science are a product of collaboration and are assigned to the community. They constitute a common heritage in which the equity of the individual producer is severely limited” (1973, p. 273). Wetenschappers hebben elkaar nodig en daarom zoeken ze elkaar op, in een virtueel gesprek via de journals en live op congressen, maar ook informeler op de gang en bij de lunch.

Het verhaal dat wetenschappers samen over hun vak tot stand brengen, heeft net als elk ander verhaal een begin, midden en eind. Het begin gaat over de schemering van een probleem: er is een zekere balans in de wereld, maar de eerste tekenen dat er ‘iets’ op handen is, dienen zich aan: in de bubbel kraken de eerste barsten (zie mijn vorige blog Over Bubbels). Het midden gaat over alle pogingen om het probleem op te lossen. Voor wetenschappers gaat het dan niet over de vraag ‘wat moet ik doen?’, maar ‘hoe moet ik denken’? Hoe moeten ze het probleem zien? Problemen van wetenschappers zijn kennisproblemen. Een kennistekort werk je weg door kennis te maken. Het grootste deel van het midden zitten wetenschappers dus eigenlijk naar het begin terug te kijken, want zo ontdekken ze niet alleen waar het tekort zit en waarom daar, maar ook hoe dat gevuld kan worden. Als dat helder is, volgt de ontknoping, de clou waarmee de puzzel kan worden opgelost. Op artikel- en proefschriftniveau zie je dat terug als: we wisten iets niet (begin: probleemstelling onderbouwd vanuit literatuur), ik heb van alles gedaan (methodologie en methoden) en met deze nieuwe kennis (resultaten) is dit probleem – in elk geval ten dele – getackled (conclusies). Vaak houdt het daar niet op, volgt een ander, nieuw kennisprobleem (discussie van bevindingen en beperkingen, aanbevelingen voor vervolgonderzoek). Tot zover het narratieve. Het internarratieve zit ‘m in twee aspecten: de verhalen van wetenschappers verwijzen naar elkaar en zetten elkaar voort. Dat eerste uit zich in de regels omtrent citeren, dat tweede in de eis dat de bijdrage aan het verhaal origineel en significant is. Als bijdragen dat niet meer zijn, dan is blijkbaar dit verhaal over het vak klaar en afgerond, wordt het tijd voor een nieuw verhaal.

Voor buitenpromovendi kan het lastig zijn te ontdekken waar zij met hun bijdrage een wending kunnen geven aan dat grotere verhaal. Wie zijn eigen verhaal verwart met het grotere verhaal, verwisselt zijn eigen probleemschemering of Eureka-moment met the state of the art in de wetenschap, en dat leidt tot een verkeerde inschatting van waar in het grotere verhaal men nu is. Begin en einde van persoonlijke verhalen liggen vaak in het middendeel van het grotere verhaal. Daar is het meeste werk te doen en dat is dus waar de meeste wetenschappers aan mee schrijven; niet aan het begin (te diffuus, als de schemering zelf) en ook niet aan het eind (te duidelijk, als het verschil tussen dag en nacht). Buitenpromovendi doen er dus goed aan om de aansluiting te vinden en zich daar te begeven waar de gesprekken plaatsvinden. Niet gemakkelijk soms, want voor dat gesprek is nou net een instituut opgericht waar ze vaak niet helemaal bij horen: academia. Wel essentieel voor promoveren, want laat dat nou net het bewijs zijn dat je volwaardig aan dat gesprek kunt deelnemen.

Of Murakami trouwens de draad van Barnes oppakt, weten we niet zeker. Misschien kwam hij op hetzelfde idee als Barnes zonder dat hij diens boek gelezen had. Literaire auteurs gaan nu eenmaal anders met bronnen om dan wetenschappelijke auteurs. Barnes zelf rept ook met geen woord over Kafka, toch snappen we de hint naar Kafka – en dat zelfs als we zijn boek niet gelezen hebben, want dat mag inmiddels bekend worden verondersteld (vindt in elk geval Barnes en ik geef hem gelijk). Als Murakami onafhankelijk van Barnes hetzelfde idee kreeg, dan is sprake van wat Merton een multiple noemt: een simultane ontdekking door meerderen. Als Murakami Barnes wel had gelezen en op een dag, toen hij bijvoorbeeld een kevertje over zijn hand zag lopen, op deze draai aan Kafka’s verhaal kwam en zich Barnes als zijn voorganger hierin niet herinnerde, dan is sprake van cryptomnese: een goed idee hebben maar vergeten zijn dat je het van iemand anders hebt. Het kan de beste van ons overkomen, maar wetenschappers bij voorkeur niet.


Kafka, F. Metamorfose.
Barnes, J. Trioloog.
Murakami, H. Samsa verliefd.
Merton, R.K. (1973). The sociology of science. Chicago, IL.: The University of Chicago Press.