Boeken die je niet gelezen hebt - door Floor

Bij dezen kom ik uit de kast als non-lezer van Habermas. En hoewel ik zijn werk niet gelezen heb, heb ik er in mijn eigen werk zo nu en dan wel aan gerefereerd. Zonder te verblikken of te verblozen. Habermas is immers op mijn vakgebied voor sommige collega’s een geijkt referentiepunt. Logisch dus, welhaast vanzelfsprekend zelfs, om naar hem te verwijzen. Bijna onbeleefd om het niet te doen. Maar is dit eigenlijk wel oké, praten over boeken die je niet gelezen hebt?

Volgens Pierre Bayard is dit niet alleen oké, het is zelfs de bedoeling. En zeker voor promovendi bevat zijn boek How to talk about books you haven’t read een aantal geruststellende gedachten en praktische tips. Standaardvraag bij de workshop Literature review die we vanuit ons expertisecentrum aanbieden, is namelijk: wanneer kan ik stoppen met lezen? Bayard geeft daarop het eenvoudige antwoord: zodra je een goed, eigen verhaal kunt vertellen over je onderzoeksterrein. Het gaat er volgens hem niet om dat je heel veel gelezen hebt, het gaat er om dat je heel erg belezen bent. Het verschil tussen die twee is de rode draad door zijn boek.

Stel je de wetenschap voor als een immense bibliotheek. Ontwikkel je dan je wetenschappelijk denken door alles te lezen? Geenszins. Een bibliotheek is geen statisch geheel, er komt steeds wat bij en er verdwijnt ook steeds weer wat uit. Alles gelezen hebben is niet eens haalbaar. En ook jij als lezer bent niet statisch, je leest steeds iets anders in een boek afhankelijk van hoe je ervaringen en inzichten zich ontwikkelen. Bovendien is het nog maar de vraag of jij leest wat de auteur heeft willen zeggen, want je projecteert die eigen ervaringen en inzichten altijd als referentiekader in het boek. Je leest wat je wil lezen, of misschien zelfs: je leest alleen wat je kunt lezen. Je moet dus niet een pure lezer zijn, maar meer een bibliothecaris die begrijpt hoe het systeem van een bibliotheek werkt: de boeken weerspiegelen niet de werkelijkheid, maar de werkelijkheidsopvattingen van auteurs, en daar zijn patronen in te ontdekken. Hoe auteurs en hun ideeën en concepten zich onderling verhouden en ontwikkelen is betekenisvoller dan wat ze precies schrijven. Wetenschap gaat niet over het reproduceren van andermans gedachten, maar over het vormen van je eigen ideeën en het innemen van je eigen standpunt. Daarvoor kun je volgens Bayard en de auteurs naar wie hij verwijst (met zijn eigen annotatiesysteem: HG = Half Gelezen, VG = Van Gehoord, enzovoort) zelfs het beste zo min mogelijk gelezen hebben.

Natuurlijk niet helemaal niets hè, dat is een ander uiterste. Zo was ik eens op een congres waar een startende promovendus vertelde over zijn onderzoek en een van zijn verwijzingen was naar Plato. Over het waarom daarvan kwam een kritische vraag uit het publiek waar de promovendus niet helemaal uitkwam. De vraagsteller bleef echter aandringen, want “Just because Plato said so doesn’t mean that it’s true” (een valide punt, vond ik), waarop hij, zichtbaar in het nauw gedreven en rood aanlopend, zoiets zei als: “You would have to ask my supervisor.” Ai. Praten over iets waar je helemaal geen verstand van hebt is onwetenschappelijk en gênant, en je zakt snel door de mand als je het doet in gezelschap van mensen die wel iets langer over jouw onderwerp hebben nagedacht. Wat is dan wel de bedoeling?

Het gaat erom dat je op basis van een paar ijkpunten een beargumenteerd gesprek kunt voeren. Bij promoveren is dat een gesprek met wetenschappers. Daar worden die ijkpunten gevormd door stromingen en scholen: je kunt heel goed iets van de Frankfurter Schule vinden zonder alle auteurs daaruit of daarover van buiten te kennen. Of zonder zelfs maar van de Frankfurter Schule gehoord te hebben, want zodra iemand de belangrijkste principes ervan uitlegt, kun je daar best iets slims van vinden. In hoofdstuk VI, getiteld ‘Encounters with professors’ en met de heerlijke ondertitel ‘(in which we confirm, along with the Tiv tribe of western Africa, that it is wholly unnecessary to have opened a book in order to deliver an enlightened opinion on it, even if you displease the specialists in the process)’, maakt Bayard aannemelijk dat je ook met je eigen werkelijkheidsopvatting, ervaringen en gezond verstand een heel eind komt mits je daar even goed over na hebt gedacht. Gedachteloos je supervisor napraten doe je dus niet, een eigen standpunt beargumenteren doe je dus wel.

Terug naar mijn relatie met Habermas. Toen ik zijn naam voor het eerst tegenkwam in een bespreking van zijn belangrijke begrippen ‘leefwereld’ en ‘systeemwereld’ wilde ik het oorspronkelijke werk bestuderen. Een bevriende promovendus waarschuwde me dat daar niet doorheen te komen was. Volgens hem had in Nederland misschien maar één persoon het werk van Habermas gelezen, Michiel Korthals, en deed de rest het met zijn uitleg ervan. Ik weet niet of dit waar was, maar heb de door Korthals en Kunneman geredigeerde bundel over Habermas wel grondig doorgenomen. Dat was eigenlijk wel genoeg Habermas voor mij. Vanuit mijn letterkundige achtergrond vond ik een ander belangrijk begrip van hem, ‘machtsvrije discours’, onhoudbaar.

Toch ga ik hem misschien nog wel zelf lezen. Het onderscheid tussen leef- en systeemwereld vind ik namelijk wel interessant, vooral omdat ik recentere auteurs ermee aan de haal zie gaan waarbij ik me afvraag of hun interpretatie daarvan wel Habermas’ bedoeling was. De volgende keer dat we elkaar spreken, heb ik het dus misschien wel uit. Of misschien nog niet. Of misschien zelfs nog niet opengeslagen. Of in huis. Maar ik zal er toch wat over te zeggen hebben.


Bayard, P. (2007). How to talk about books you haven’t read. New York: Bloomsbury.
Korthals, M. & Kunneman, H. (1992). Het communicatieve paradigma. Mogelijkheden en beperkingen van Habermas’ theorie van het communicatieve handelen. Meppel: Boom.