Tsundoku - door Floor

De afgelopen maanden ben ik druk in de weer geweest met het schrijven van mijn boek over narratief onderzoek. Dat wil zeggen: de eerste twee hoofdstukken schreef ik vlot want op routine, daarna liep ik vast in hoofdstuk 3, dat ik met omineuze voorzienigheid al ‘Welkom in de blubber’ had genoemd voordat ik eraan begon en besefte hoe ingewikkeld het is om heel precies te beredeneren wat sociale complexiteit eigenlijk is en hoe narrativiteit die beïnvloedt. Daarvoor nam ik mijn hele bagage van 25 jaar theoretisch en empirisch onderzoek naar narratieven kritisch onder de loep om wat al te grote gaten in mijn eigen verhaal te dichten met nieuwe wetenschappelijke inzichten uit uiteenlopende disciplines. En logischerwijs begon mijn verhaal met die nieuwe rijkdom aan inzichten te schuiven – een modderstroom kwam op gang, zeg maar, en ik zat daar middenin. Vele weken later bevind ik me nog steeds in een begeesterende studie naar wat eerst losse eindjes leken en achteraf de toegangspoorten naar geheel nieuwe vakgebieden blijken te zijn. En ik ben er inmiddels ook achter dat ik aan een milde vorm van Tsundoku leid.

Tsundoku is de kunst van het kopen van boeken zonder ze te lezen. De collectie die daardoor ontstaat is een neveneffect, niet het hoofddoel; de koper heeft wel degelijk de intentie om de boeken te lezen, het komt er alleen niet van. Zo vulde zich ook mijn bibliotheek met veel van wat me interessant leek terwijl ik bezig was met andere dingen, die ik overigens ook vaak leuk vond. Het fijne hiervan is dat ik bij het uitpluizen van die nieuwe vakgebieden voor mijn nieuwe verhaal over verhalen eigenlijk alles wat ik nodig had al geruime tijd (soms tien jaar) in de kast bleek te hebben staan. Daarom denk ik dat ik maar een milde vorm van tsundoku heb: ik zet mijn intentie om te lezen nu om naar daadwerkelijk lezen.

Daarbij stuit ik op twee problemen, die volgens mij voor buitenpromovendi herkenbaar zijn als ik afga op de vragen die ze stellen tijdens de workshop Literature Review die ik vanuit Expertisecentrum Buitenpromoveren verzorg. Het eerste probleem is: waar houdt het op? En het tweede: hoe scheid ik het kaf van het koren? Voor beide problemen heb ik een oplossing die ik, uit mijn eigen blubber omhoog worstelend, nu proefondervindelijk kan bevestigen.

Eigenlijk wil ik dat het nooit ophoudt, studeren op boeiende puzzels. Maar ik moet (wil?) met een product komen en dat zorgt automatisch voor een stopregel. Die is natuurlijk maar tijdelijk van kracht. Na het product gaat het studerend leven verder en dat stelt wel gerust. Hoe gaat dat ophouden in z’n werk? Door tijdens het lezen al te schrijven, en wel in de vorm van aantekeningen. Na een lange, vrij divergerende fase waarin alles nog diffuus is en op zichzelf lijkt te staan, ontstaan vanzelf in de aantekeningen een aantal verdichtingen, kernconcepten met satellietbegrippen noem ik ze maar even, die de structuur van het betoog gaan vormen. De kernconcepten zijn de dragende delen, de satellietbegrippen zorgen voor de verbindingen daartussen. Boven de stof gaan staan, uit je data abstraheren, is een belangrijke onderzoekskwaliteit: je gaat immers geen samenvatting maken van de werken van anderen, maar met behulp daarvan je eigen gedachtegang ontwikkelen. Die structuur geeft je houvast voor wat je nog moet uitdiepen en afronden. Alles wat buiten die structuur valt, hoe interessant ook: schrappen. Kill your darlings. Of beter: park your darlings voor het post-product leven. En onthoud: het definitieve werk schrijf je toch niet. Dat betekent niet dat je geen goed werk of geen uitstekend werk kunt schrijven, maar definitief is iets nooit in de wetenschap (behalve dit). Eind negentiende eeuw was de gangbare gedachte in de natuurwetenschappen dat alles wel zo’n beetje bekend was en dat de rest een kwestie was van decimalen achter de komma uitrekenen. Toen brak de kwantumrevolutie uit. Iets dichter bij huis: ten tijde van mijn afstuderen werd narratologie gedomineerd door het structuralisme, daarna begon de postklassieke narratologie aan haar opmars.

De vraag naar het kaf en het koren is verbonden aan de rafelranden van je expertise. Veel thema’s grenzen aan andere vakgebieden dan je eigen en dan kan het lastig worden als je niet meer goed kunt inschatten wat de validiteit is van de uitspraken die je daar tegenkomt. Zo ben ik zelf aan het studeren geslagen op onder andere cognitieve wetenschappen en evolutionaire psychologie, maar ik heb geen training in deze disciplines gehad. Hier helpt het onderscheid tussen contributory expertise en interactional expertise van Collins, Evans en Gorman (2007). Met die eerste kun je zelfstandig bijdragen aan de wetenschappelijke kennisontwikkeling van een vakgebied. Met die tweede niet, maar je kennis ervan is zodanig dat je in staat bent een zinvol gesprek met de experts te voeren en vragen stelt die hen op vernieuwende ideeën kunnen brengen. Mijn contributory expertise ligt in narratief onderzoek in het algemeen en narratieve sociologie in het bijzonder. Van de andere disciplines die ik voor mijn boek bestudeer, ben ik een interactional expertise aan het opbouwen. Daarbij vertrouw ik op de regels van wetenschap, namelijk dat die onderhevig is aan peer review en dat onderzoekers naar elkaar verwijzen in de vorm van een academische discussie. Als ik die kan volgen, dan ga ik ervan uit dat ik het snap en het materiaal zodanig kan aanhalen dat ik er ook vragen over kan beantwoorden. Dat is een andere stopregel: blijf ik ervan stotteren, dan schrappen. Of parkeren voor een nadere studie voor een ander boek.

Een van de boeken die ik eindelijk uit mijn kast pakte, was The Black Swan van Taleb. Daarin wordt de bibliotheek van Umberto Eco aangehaald, gevuld met zo’n 30.000 boeken (zie ook dit filmpje; na het zien ervan ben ik mijn eigen collectie, hoewel omvangrijk in de ogen van velen, maar heel bescheiden ‘biebje’ gaan noemen). Die had hij niet allemaal gelezen: ze vormden vooral een herinnering aan hoeveel hij niet wist. Dat is een relevante gedachte om vast te houden en waar tsundoku je bij kan helpen. En tegelijkertijd kan het handig zijn om iets beter te weten en je kast in te duiken (Eco wist ook best veel dingen wel). Ik hou het op een mooie balans van gelezen en ongelezen boeken: een uitgebreide serie nieuwe aanwinsten staat al op me te wachten. En dat is het mooie van papier: het is geduldig en kan me er oneindig lang aan herinneren hoeveel ik nog niet weet.


Collins, H., Evans, R., & Gorman, M. (2007). Trading zones and interactional expertise. Studies in History and Philosophy of Science, 38(4), pp. 657-666. doi:10.1016/j.shpsa.2007.09.003