Roadtrip - door Floor

De zomermaanden vormen voor mij de ideale gelegenheid om te roadtrippen met mijn tuin als vervoermiddel en mijn boeken als brandstof. Ik maak lange reizen door tijd en ruimte terwijl ik af en toe halt houd om mijn voertuig te bewonderen, licht te wieden of van wat water te voorzien. Onderhoud van je voertuig is belangrijk. In februari deed ik mijn auto weg omdat de reparaties te duur werden. Sindsdien leen ik de auto van de overburen voor 40 cent per kilometer. Op 1 juli kreeg ik de afrekening voor het eerste half jaar: 17 euro 60. Blijkbaar rij ik niet zo veel op de weg. Maar in de zomermaanden in mijn tuin dus des te meer.

Met Vrijheid en Kruispunt van Jonathan Franzen zoef ik door de Amerikaanse middenklasse van de laatste halve eeuw, Norwegian Wood van Haruki Murakami brengt me naar het Japan van de jaren zestig en samen met Sylvain Tesson verblijf ik zes maanden in de Siberische wouden (zo heet zijn boek ook). Mijn feliene reisgenoten Broes en Keet liggen vaak uitgestrekt in het gras erbij. Pas als de zon achter het huis zakt, worden ze weer wat actiever, net als ik.

The new climate war van Michael E. Mann, Hoe gaan we dit uitleggen? van Jelmer Mommers en Nu het nog kan van Extinction Rebellion Nederland houden me bij de klimaatles. Ramsey Nasr doet dat met De fundamenten ook, maar indringender want poëtischer. Het vliegverkeer boven mijn tuin laat geen witte strepen na, laat de lucht op veel kleiner schaal trillen, navigeert op kleuren en geuren, strijkt soms ontspannen op me neer. Ik lijk bewegingsloos tussen de bramen en de reine claudes, maar ben op reis.

Mensen zijn ingewikkeld, zo lees ik in het gelijknamige boek van Floortje Schepers. Onze hersenen zijn zo complex als het klimaat, ontregeling is voor niemand uitgesloten. De bron van die ontregeling kan van alles zijn, er is vaak geen eenduidige oorzaak te vinden. Ik vind dat we moeten afstappen van het individu als kleinste eenheid van analyse. In The extended mind van Annie Murphy Paul lees ik dat denken, leren en ervaren gebeurt in complexe dynamieken waarvan ook wij ingrediënten zijn. Wij leven niet solo, op onszelf staand in een vacuüm, maar in betekenisvolle sferen. Dat weet ik nog van de Sferen-trilogie van Peter Sloterdijk, die ik las in een andere tijd, op een andere reis. Mijn verleden zit aan de tuintafel aan, voegt zich in mijn gedachten.

De grens tussen mij en mijn tuin vervaagt, ik adem acacia en acacia ademt mij, tussen ons ontstaat iets van ons samen en van nog veel meer leven in deze tuin. In dat vibrerend geheel laten Tyson Yunkaporta met zijn Sand Talk en Robin Wall Kimmerer met haar Braiding Sweetgrass mij kennismaken met een epistemologie van deelname: we leren van de natuur door mee te doen aan het leven. “Il faut cultiver notre jardin”, liet Voltaire zijn held Candide zeggen toen die na vele, tumultueuze omzwervingen weer thuis was: we moeten onze tuin cultiveren. Dat is een typisch moderne gedachte. We worden er in het westen mee opgevoed, van paplepel tot proefschrift. Wij zijn het die de natuur cultiveren, het oude idee van rentmeesterschap, waarmee we de natuur buiten onszelf plaatsen: we houden niet meer dan monologen over haar, met de rug naar haar toe en onszelf als toehoorders. In een dialoog, zo stellen oude culturen, is de natuur een actieve gesprekspartner en er is dus de mogelijkheid van een dialoog. Haar wezens verschijnen niet als objecten waaraan Adams nazaten zelfstandig naamwoorden geven. Ze hebben een eigen stem, wat in oude talen van bijvoorbeeld Native Americans erkend wordt door hen met werkwoorden aan te duiden. Zo hebben wij het over een 'baai', maar betekent het Potawatomi woord wiikwegamaa 'een baai zijn', legt Kimmerer uit, waarmee het water leeft. Die eigen stem, mijmer ik verder, past misschien wel de middle voice waar ik eerder over gelezen had. Veel talen, zoals het Nederlands, hebben een actieve en een passieve stem: je doet iets of je ondergaat iets, daartussen zit niets. De middle voice hoort daarentegen bij gebeurtenissen die ontstaan uit samenspel: deze blog gebeurt door mijn toetsenbord en ik. Deze gedachte gebeurt door mijn tuin, mijn boeken en ik. De middle voice is een stem die veel beter past bij complexiteit, hier speekt het emergente mee. Wie naar die stem kan luisteren, hoort de natuur, herheemt misschien wel.


David Graeber en David Wengrow schetsen in The dawn of everything de geschiedenis van menselijke culturen. De gedachte dat we eerst jagers-verzamelaars waren, toen aan landbouw gingen doen en daarmee gestratificeerde, onvrije samenlevingen creëerden, is volgens hen onterecht. Zo’n rechte lijn is niet alleen te eenvoudig gedacht, maar ook atypisch. Wie naar de data kijkt, ziet variatie: menselijke gemeenschappen leggen veel creativiteit aan de dag als het gaat om het oplossen van problemen. Hun boodschap is ook een oproep aan ons lezers: wij zijn niet veroordeeld tot deze samenleving, met deze vervuiling en uitputting, deze verspilling van welzijn. Wij hebben het in ons om onze gemeenschappen anders in te richten en kunnen daarbij leren van onze voorouders. Een hoopvolle gedachte, zo op de rand van de herfst. Een meteorologische herfst, dat sowieso, maar misschien ook wel de herfst van de beschaving zoals wij die kennen. Als de oude culturen gelijk hebben, komt er ook weer een nieuwe lente aan.