Post-truth - door Floor

The Oxford Dictionary heeft ‘post-truth’ uitgeroepen tot woord van het jaar 2016 en definieert dit als: ‘relating to or denoting circumstances in which objective facts are less influential in shaping public opinion than appeals to emotion and personal belief’. Het woord is al wat ouder, maar zijn populariteit nam afgelopen jaar een hoge vlucht door de Brexit en de verkiezingen in de US. ‘Nou’, denkt u wellicht, ‘daar zouden wetenschappers nóóit aan meedoen, want die gaan voor de waarheid’.

En dan hebt u wellicht gelijk als u meent dat ze geen aandeel in propaganda willen hebben, want daar gaat ‘shaping public opinion’ natuurlijk over (hoewel er ook wetenschappers zijn die zich daarvoor lenen, maar dat wordt een ander blogje), maar u hebt het mis als u denkt dat wetenschappers achter ‘de waarheid’ aanjagen. In feite leven wetenschappers al vele decennia in een ‘post-truth’ tijdperk. Zeggen ze dus maar wat? Geven zij ook maar gewoon ‘een mening’? Nou, dat nou ook weer niet helemaal. Maar ze zijn wel doordrongen van het problematische karakter van kennis en van de voorlopigheid ervan. En ze zijn zich er terdege van bewust dat de bewijslast geheel en al aan hun kant ligt, en dat anderen over hun schouders mee kijken. Dus stellen eerlijke wetenschappers hun bronnen en data ter beschikking, zijn ze transparant over hun methoden, en staan ze open voor de inzichten van anderen, ook als ze het er niet mee eens zijn. Dat laatste heet ‘de academische discussie’ en die kan er stevig aan toe gaan. Hoe komt het dat wetenschappers zich dan zo gezaghebbend over hun onderzoek uitlaten? Wel nu, ze doen natuurlijk niet zo maar wat, het zijn ook wel gewoon vaklui. Het ambacht om met die glibberige kennis als grondstof te werken is lastig, zoiets als kleien met water, maar je kunt het wel leren. Dat is wat promovendi doen, en daarbij komen ze vaak twee struikelblokken tegen. U raadt het al: het besef dat kennis eigenlijk vloeibaar is en het trainen van hun ‘academic voice’, die stem waarmee zij met zekerheid iets durven zeggen over wat ten diepste onzeker zal blijven.

Een ander neologisme is ‘alt facts’, kort voor ‘alternative facts’, wat verwijst naar wat onwaarschijnlijk aandoende stellingen. Alt facts zijn vaak afkomstig uit het kamp dat ‘alternative right’ heet. Een voorbeeld is dit: de klimaatverandering is een verzinsel van wetenschappers. En daar wordt dan weer op gereageerd door wetenschappers, milieuactivisten, politici, je vrienden op Facebook, elk met hun eigen rapporten in en meningen bij in de hand. Hoe maak je nou chocola van al die feiten en alt-facts in dit post-truth tijdperk? Nou, bekwaam je in het maken van chocola en besef dat ook in pure chocola altijd een beetje water zit. Met andere woorden: verbeter je eigen onderzoekend vermogen en besef dat kennis altijd iets ongrijpbaars in zich blijft houden. Hoe? Uit een studie van Bruggink en Harrinck (2012) komen deze negen kenmerken van de onderzoekende houding naar voren (p. 50):

1. nieuwsgierig zijn, iets willen weten en je dingen afvragen
2. een open houding hebben, eigen vooronderstellingen onderzoeken en een oordeel uitstellen
3. kritisch zijn en dingen in twijfel trekken
4. willen begrijpen en tot inzicht willen komen
5. bereid zijn om van perspectief te wissel
6. distantie nemen van routines, je vraagtekens zetten bij het vanzelfsprekende, durven om gebaande paden te verlaten en je eigen richting te kiezen
7. gericht zijn op bronnen en voort willen bouwen op eerdere opvattingen en ideeën
8. gericht zijn op zeker weten door goede bronnen te gebruiken en nauwkeurig te zijn
9. willen delen met anderen en onderdeel willen zijn van leergemeenschappen.

Hun onderzoek ging over leraren, maar deze onderzoekende houding kunnen we allemaal hebben. Wetenschap gaat immers niet om wát je moet denken, maar hóe je moet denken.

Bruggink, M. & Harrinck, F. (2012). De onderzoekende houding van leraren: wat wordt daaronder verstaan? Tijdschrift voor lerarenopleiders, 33(3).