Serious business - door Floor

Wetenschap is serious business. Soms heeft dat eerste de overhand, soms dat tweede. De belangrijkste vraag is: neem je jezelf als wetenschapper serieus?

Op 22 augustus van dit jaar, 2018, verscheen in de Volkskrant het artikel De topwetenschapper als tiran: ‘Ik run hier geen liefdadigheidsorganisatie’. Op 1 september was er bij Argos een uitzending over getiteld De promotiefabriek, een onderzoek naar buitenpromovendi van de Universiteit Tilburg. Ben je bij het eerste misschien blij als buitenpromovendus niet het risico te lopen voor je carrière afhankelijk zijn van een bullenbakkende hoogleraar, bij het tweede vraag je je wellicht af of buitenpromoveren wel zo’n gelukkige keuze is als je afweegt wat het je kost tegen wat het oordeel is over de wetenschappelijke kwaliteit van je proefschrift. Of je nou door de hond of door de kat gebeten wordt, leuk is anders.

Het belangrijkste advies wat ik je kan geven, is: blijf de kritiek voor. Wetenschap gaat over het volgen van kwaliteitscriteria. Telkens als je iets aan wetenschappers voorlegt, zullen ze kijken of je aan die criteria voldoet. Dat gaat volkomen automatisch en loopt parallel aan de inschatting of je tekst interessant is. Heb je een origineel idee? Dat wordt pas op waarde geschat als je hebt laten zien dat in alles wat er over het onderwerp geschreven is precies dit ene idee niet aan de orde is gesteld. Doe je een gedurfde uitspraak? Idem dito pas als je die navolgbaar fundeert in gedegen onderzoek.

Wil je de gevraagde kwaliteit leveren, verdiep je dan in die criteria. Die zijn deels disciplinespecifiek en deels generiek. Maak het jezelf niet te gemakkelijk en laat aan je hoogleraar zien dat je de grenzen van je onderwerp opzoekt door het ook in historisch of filosofisch perspectief te plaatsen, of door de relaties met andere disciplines te leggen. Dat hoeft niet ten koste te gaan van de – vaak gevreesde – afbakening, maar geeft je onderwerp juist reliëf, maakt het nog meer van jezelf. Zeker in de eerste fase van je onderzoek is er alle gelegenheid om je onderwerp zo te verdiepen. Wat daar uiteindelijk van in je proefschrift verschijnt, is misschien maar een korte paragraaf; maar dát die er staat, maakt dat dit proefschrift van jou is, en van niemand anders.

Wees niet te snel tevreden met wat er op papier staat. Dat geldt niet alleen voor de teksten die je leest, maar ook voor de teksten die je zelf schrijft. Hét generieke kwaliteitscriterium is logisch redeneren, en dat je dat kunt moet blijken uit de selectie en bespreking van je literatuur en uit je eigen schrijfwerk. Wat is de structuur van je betoog? Laat zien dat je een conclusie trekt om bepaalde redenen, staaf die redenen met bewijsmateriaal, weerleg potentiële tegenargumenten, ook weer met bewijsmateriaal. Wees open en eerlijk over je vooronderstellingen, bespreek de begrippen die je gebruikt en deconstrueer die van anderen. Concentreer je op je eigen argumentatie en verlies je niet in drogredenen. En beoordeel het werk van anderen op dezelfde kwaliteit.

Disciplinespecifieke kwaliteitscriteria hangen vaak samen met methodologie. Laat zien dat je begrepen hebt wat dat is door de herkomst van je instrumenten en hun mogelijkheden en beperkingen voor jouw onderzoek te bespreken. Je methodologie draagt je bewijslast en is daarmee een wezenlijk onderdeel van je redeneerlijn. Geen wonder dat wetenschappers zich daar primair op richten met hun kritiek, ook vanuit de corona.

Laat bovenstaande geen betoog zijn voor perfectionisme, perfectie is nou juist geen kwaliteitscriterium. Wie in de wetenschap verkondigt perfectie bereikt te hebben, kan net zo goed een schietschijf op de borst en een 'kick me'-bordje op de rug gaan dragen. Maar waar het wel een betoog voor is, is om de wetenschap serieus te nemen. En als je wetenschapper wil worden, moet je serieuze uitdagingen aan gaan. Beste is dus deze zelf op te zoeken. Dat is beter voor de kwaliteit van je werk, en jezelf als onderzoeker serieus nemen maakt het ook leuker om ermee bezig te zijn. Kritiek hou je toch, maar hoe meer je de kritiek voor blijft, des te behulpzamer de kritiek wordt die overblijft. En dat is het moment waarop de ander jou als collega-wetenschapper serieus neemt.