Buitendoctoren IV - door Floor

In eerdere afleveringen van mijn miniserie over buitendoctoren stond ik stil bij de academische arbeidsmarkt, bij wat de mogelijkheden voor buitendoctoren zijn en bij hoe universiteiten promovendi hierop (beter) zouden kunnen voorbereiden. Met mijn vorige blog heb ik mijn serie even onderbroken voor belangrijk nieuws – namelijk dat de klimaatverslechtering urgent is – en met deze blog herneem ik mijn verhaal door aandacht te schenken aan de werkgeverskant van het buitendoctoren.

De werkgeverskant valt uiteen in de profit en non-profit sector, grofweg bedrijfsleven en (semi-)overheid. Eerst maar eens die eerste. De samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven is in Nederland nog jong als het gaat over promoties. Ondernemersvereniging VNO-NCW pleitte al in 2015 voor een industrial doctorate naar Deens model, omdat deze voor zowel wetenschap als bedrijfsleven winst kan opleveren. In 2018 startte NWO met een pilot rond promoveren in het bedrijfsleven, waarin 16 promovendi aan de slag gingen. Dat de belangstelling groter was, blijkt uit het aantal aanvragers van ruim 145. Dat deze niet allemaal voldeden aan de kwaliteitseisen van NWO, blijkt uit een eerste selectie van 44 aanvragen.

De term ‘industrial’ suggereert dat het bedrijfsleven synoniem is voor industrie en daarmee met name gaat over bètavraagstukken. Dat zou ik graag wat oprekken naar de oorspronkelijke betekenis, namelijk het collectief van bedrijven. Daarin is de industrie als secondaire sector te vinden, naast de primaire sector van voedselproductie en de tertiaire sector van de dienstverlening aan consumenten en het bedrijfsleven zelf. Met deze oprekking wordt duidelijk dat doctoren uit alle disciplines onderzoekswerk kunnen doen in en voor het bedrijfsleven. Daarvoor moet wel duidelijk zijn wat hun meerwaarde is. Daarop ga ik in de op een na laatste alinea van deze blog in.

Dan de overheid als werkgever (met uitzondering van universiteiten en universitaire ziekenhuizen). In Promoveren als bijbaan hebben Meike Bokhorst en Pauline Westerman de ervaringen gebundeld van buitenpromovendi die als ambtenaar aan een proefschrift over een overheidsvraagstuk werkten. Daarbij komt regelmatig naar voren dat politieke en wetenschappelijke belangen niet altijd hand in hand gaan. Dat geldt vaak ook voor werkgevers in de profitsector die niet gewend zijn aan het werken met wetenschappers, en dat brengt me bij die hiervoor al aangekondigde op een na laatste alinea.

Als gepromoveerde sollicitant kreeg ik vaak te horen dat ik overgekwalificeerd was. Regelmatig hoor ik uitspraken over de hyperspecialisatie van promovendi en de wat schamperende constatering dat dit hen ‘onbruikbaar’ maakt voor de wereld buiten de wetenschap (“Wat moet een energiebedrijf met iemand die alles weet van de verleden tijd in het Sanskriet?”). Het begrip transferable skills kan hier uitkomst bieden. Het verwijst naar alle vaardigheden die iemand tijdens het promoveren heeft ontwikkeld en die ook buiten de universiteit handig zijn: managen van een complex traject, communiceren met diverse publieken in diverse talen, kritisch nadenken en kennisproblemen creatief oplossen, budget beheren, complexe materie begrijpen, in de literatuur zoeken over wat al bekend is over een verschijnsel, een methode ontwerpen om meer te weten te komen, logisch redeneren, et cetera. Buitendoctoren zijn kenniswerkers, maar van een bijzonder soort. Transferable skills zeggen iets over hun bredere inzetbaarheid, maar sommige skills zijn niet uniek voor hen. Wat mensen die met succes een promotie hebben afgerond echt bijzonder maakt, is volgens mij hun epistemologische ontwikkeling. Dit zijn niet zo maar kenniswerkers, maar werkers die het begrip ‘kennis’ zelf aan een kritische reflectie hebben onderworpen. Wie die ontwikkeling niet zelf heeft doorgemaakt, kan gemakkelijk denken dat ‘die wetenschappers’ onnodig moeilijk lopen te doen. Wie haast heeft, bijvoorbeeld om een concurrentievoordeel te maken of te behouden, of wie geen pottenkijkers wil, bijvoorbeeld om een politiek voordeel te maken of te behouden, gaat voorbij aan de meerwaarde van beter inzicht in complexiteit. We leven in een complexe samenleving, waardoor ondoordachte acties als boemerangs terugkomen bij hun werpers, al is de tijd tussen worp en terugkomst te lang om er een verband tussen te zien.* De puzzels waar we voor staan, kunnen niet met oude oplossingen aangepakt worden, want die blijken meer en vaker de ingrediënten van nieuwe puzzels te bevatten. En een van die ingrediënten vormen verouderde opvattingen over kennis. Wetenschappers doen dus niet onnodig moeilijk, maar nodig moeilijk. En dat is hun meerwaarde (ook als ze gepromoveerd zijn in Sanskriet). Als buitendoctoren dat steeds zelf moeten uitleggen of verdedigen, dan staan ze zwak. In mijn vorige blog had ik het daarom over rijke netwerken waarin universiteiten, werkgevers en ondernemers samenwerken aan wetenschap. Vanuit die samenwerking kan de meerwaarde dan zichtbaar worden, en het in dienst nemen van wetenschappers vanzelfsprekend.

Tot slot. Er zijn in Nederland veel kennis- en expertisecentra die eigen onderzoek doen naar diverse maatschappelijke thema’s en sectoren, al dan niet verbonden aan een politieke of anderszins ideologische partij. Voor hen speelt bovenstaand allicht een minder grote rol.

*) Dit is een metafoor. Een boemerang is bedoeld om prooidieren mee uit te schakelen. Een boemerang die terugkomt, is dus eigenlijk van een onbedoeld slechte worp.